Lerang
Uiteraard spreek ik dialect. Ik leerde plat kalle van mijn ouders. Wie het niet van huis uit spreekt, leert het nauwelijks. Uitzonderingen daargelaten blijft het bij koddig koeterwaals. Zou je jezelf én anderen niet moeten aandoen. Door dialect te praten, blijft het levend. Ik spréék het, maar schrijf het zelden. Terwijl dat niet eens zo moeilijk is. Alleen met Vastelaovendj is plat schrijven functioneel. Steeds vaker zien we plaatsnamen in dialect aan de entree van dorpen. Inwoners weten echter best hoe het dorp heet en voor buitenstaanders is het nauwelijks leesbaar, soms niet eens uit te spreken. Böggeme, Biëgdje, Thoear, Aelse, Beech, Zjwame, Leivere, Egelse, Zerum. Daar doe je een passant geen plezier mee. Ik hoor graag Thoears, dat sprak mijn moeder, keeseflaai. Mijn vader zei: Doe woeans in Häör, den mòsse auch Häörs kalle. Agnes is in alles van ‘n Eg Késsels ein zuver Häörder maedje geworden, behalve in haar dialect en daar ben ik blij om. Zeg nu zelf, petatte klinkt toch vele malen mooier dan het boerse erpele. En vëül is vëül warmer dan väöl. Kroêt en kiepe klinkt moëjer dan kruutje en hoonder. ‘t Höltere hemd, zei schoonmoeder Paula. Met programma’s en subsidies probeert de overheid de streektaal te redden. Bewonderenswaardig, maar of we het leuk vinden of niet, uiteindelijk verdwijnen de dialecten, alle inspanningen en goede bedoelingen van heemkundigen en instanties als Veldeke ten spijt. Niet meteen, maar toch. Ontkennen is een illusie. Zelfs de kerk verdwijnt, misschien het geloof wel. Het boeit weinigen. We kregen het geboortekaartje van Piet. Super dat oude namen steeds vaker terugkeren. Lerang betekent Laurens. Toen ik dat laatst zei tegen een dorpsgenoot die al tachtig jaar in Horn woont en zijn leven lang vloeiend dialect spreekt, sloeg hij achterover van verbazing. Autochtone Roermondenaren zeggen Sint-Lerang als ze het ziekenhuis bedoelen. Mijn oom heette Wel, naar Emmanuel, omdat hij een kerstkind was. Mijn vader werd Pie genoemd, tot verdriet van mijn moeder die hem steevast Piet noemde, zijn eigenlijke naam. Namen als Fons, Lena, Gijs, Fien, Dré, Giel zijn in opmars en dat is maar goed ook. In mijn jeugd telde het dorp drie Arno’s. Twee zaten in dezelfde klas, de derde was de hond van de wethouder. Toen meester Van de Boel over Nolleke van Bree vertelde, werd nadien geloot wie voortaan Nol mócht of zou moeten heten. Het lot was me gunstig gezind. Of niet? In ieder geval bleef het voor mij Arno. Terwijl ik eigenlijk Arnold heet. Maar dat is ouderwets. Zeggen ze.
Tips voor een originele Limburgse naam: Lei, Jeu, Magda, Berb, Nel, Trui, Dina, Nelia, Sjra, Leen, Sof, Klaar, Bep, Til, Maan, Ton, Teng, Frans, Wiel, Handrie, Lies, Wullem, Mie, Mang, Friên, Baer, Puil, Sjang, Graad, Dëür, Loet, Sjaek, To, Soea, Këüb, Trina, Sef. Wat te denken van Ties? Ik kwam met de mik bij Wullem en Harìe van Ties. Wie weet, zeggen we ooit weer: Dét is eine van Ties. Of van Kuke-Wiês. Wiês dén!
Arno Walraven, 8 augustus 2026