Column week 46-2020.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Pater Sangers

Michel, Ik heb een bijzondere band met Thorn, het witte stadje. Een soort idolatrie. Mijn moeder was er geboren en mijn ouders hebben er gewoond. Als kind kwamen we er iedere week en ik logeerde er regelmatig. Ik kom er nog steeds graag. Bij familie om te bridgen, bij de antiquair om te snuffelen, bij de Kapel onder de Linden om een kaarsje op te steken. Je kunt er ook lekker ijs eten bij Anne. Of wat kuieren naar het kerkhof over dat onmogelijke plaveisel. Mijn grootouders liggen er. Toen mijn moeder zes jaar was overleed haar moeder. Vader hertrouwde en gedrieën rusten ze in hetzelfde graf, in de schaduw van de majestueuze kerk. Wat verderop liggen ome Harrie en tante Zus. Harrie was goed bevriend met Willem Sangers, de latere pater Sangers, kruisheer. Die toevoeging heeft niets met kruisjassen te maken. Sangers werd geboren in het molenaarshuis van de Hompesche molen in Stevensweert, op een boogscheut van de Belsje grens. Stevensweert is een mooi historisch dorpje aan de Maas. Onze hofzengers zongen “Ich kèn ein dörpke aan de Maas woea ich es kindj gelökkig waas”. Ze bedoelden er uiteraard Horn mee. Heb ik altijd vreemd gevonden, want we wonen in de verste verte niet aan de Maas. Karakteristieke Maasdorpen zijn Stevensweert, Wessem, Buggenum, Neer en Kessel. Daar gaat toch een charme van uit waar Horn, eerlijk is eerlijk, niet aan kan tippen. Beegden en Thorn komen aardig in de buurt. Pater Sangers kwam vaak in Thorn, thuis bij Harrie. Hij gruwde van termen als spelling, syntaxis, morfologie, fonetiek, fonologie, filologie van een taal. Vond accenten en trema’s maar niks. Het ging hem om de ziel van die taal, niet om hoe je die opschrijft. Noemde zich de apostel van het Maasland. Daarmee bedoelde hij Belgisch en Nederlands Limburg en de Duitse Selfkant. Logisch dat de brug in Maaseik die beide Limburgen verbindt zijn naam draagt. Hij had niets op met het romantiseren van het verleden. Sangers’ aandacht ging niet uit naar het kleinschalige van een individueel dorp dat op alle mogelijke manieren beneuried moet worden, maar streefde naar grotere, grensoverschrijdende streekverbanden. Geen gepriegel of gekneuter. Hij gaf de aanzet tot de oprichting van heemkundekringen die hij beschouwde als de toekomst van ons verleden. Het verleden vertelt ons immers wie we zijn. Als ongeëvenaard spreker doorspekte Sangers zijn causerieën in het dialect met humor. Luisteraars hingen aan zijn lippen. Zijn voordrachten en geschriften werkten zo aanstekelijk dat velen zich geroepen voelden zelf op onderzoek uit te gaan naar de afkomst van hun familie of de geschiedenis van de eigen woonplaats en omgeving. Zo schoten heemkundeverenigingen als paddenstoelen uit de grond. Dat hebben we toch maar mooi aan hem te danken. En in Horn aan Henk Schreurs, Har Sillen en Rinus Graef, apostelen van ons “dörpke aan de Maas”. Sangers overleed in 1987 en werd in Heppeneert begraven. De andere drie zijn gelukkig nog in ons midden.

Arno Walraven, 8 november 2020