Column week 44-2020.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Sweet 16

Michel, Je leven wordt vormgegeven door de mensen die erin verschijnen en eruit verdwijnen. Peter was een van mijn beste vrienden. Ik kende hem sinds onze studie Nederlands. We konden het uitstekend met elkaar vinden en hadden jarenlang een hechte vriendschap. Hij zou nu 65 zijn. Inmiddels is hij er al dik 14 jaar niet meer. Ik mis hem. Gemis sterft niet. In 1971 zat ik in de 4e klas HBS. Op een maandagochtend in oktober kwam de directeur de klas in en vertelde ons dat Henk Engels was overleden. Henk zat naast me. Hij was een paar maanden eerder 16 geworden en kreeg van zijn vader een brommer. Zijn moeder was pas overleden. In het weekend botste hij tegen een vrachtauto. Zijn zusje Petra zat achterop. Zij was 14 en overleed een paar dagen later. Van tijd tot tijd denk ik aan hem. Ik was een van de jongens die de kist droegen. Ook die van Petra mocht ik mee helpen dragen. Ik was eveneens zestien, op de grens van twee levens; had mijn vader verloren, mijn grootouders. Maar de impact van de dood van een klasgenoot, iemand met wie je zes dagen in de week optrok, voetbalde, leraren voor de gek hield, was toch anders. We zongen “Pour un flirt” en voegden de daad bij het woord. Een beetje hanky-panky. Er gebeurt zoveel in een jongensleven. Dat kun je niet in een paar zinnen opschrijven. Hoeft ook niet. “Henk is eine lollige vent.” Lang voordat Ròwwen Hèze ‘t zong, wist ik dat al. Hij heeft inmiddels veel langer níet geleefd dan wel. Een jaar later overleed José Henckens uit Ittervoort, ook een schoolkameraad; op weg naar zijn meisje. Een paar jaar eerder al verongelukte Guus Verstraelen uit Heel op zijn bromfiets bij “De stad Weert” aan de Kraanpoort. We kwamen er op de fiets voorbij. Vreselijk. En ook Bas Ansems, Harrie Opbroek, Jac Daemen, Daan Joosten, Robin Graef, Roger Huijskens zag ik jong het leven verlaten. Kinderen nog, die uitkeken naar hun toekomst. Jongens van die leeftijd zouden niet met de dood geconfronteerd moeten worden. En toch gebeurt het. Rouw is omgekeerde vreugde. Hun gedachtenisprentjes koester ik. Af en toe lees ik ze. Als je aan iemand denkt is hij immers niet echt dood. Ze zijn dichterbij dan we denken, zegt Gerard Nizet. Cox Habbema’s uitspraak Als iemand dood is, neem ik hem mee in mijn leven is treffend. Wie de doden wil geselen, kastijdt zichzelf, zegt Erwin Mortier. Geen literair werk of er waart de dood in rond. Mensen houden hem nu eenmaal in de gaten. Ida Gerhardt spreekt liever niet over sterven, maar uiteindelijk gaan we, volgens Ròwwen Hèze, toch allemaal “mèt de neus omhoeag..!”

Arno Walraven, Allerzielen 2020

 

Over de eerbied  

Ik heb mijn eigen ouders heen zien gaan,
heb anderen de laatste dienst gedaan.
Maar vraag mij niet hoe het is toegegaan:
Sterven is iets waarover men niet spreekt. 

Al weet ik dat ik stilaan raak onthecht,
dat zich de schaduw om mijn liefste legt
en ons nog korte tijd is toegezegd:
Sterven is iets waarover men niet spreekt. 

God, die mij langs ravijnen hebt geleid,
ik draag, nu mij de aardse staat ontglijdt,
een eerst vermoeden van Uw majesteit.
Sterven is iets waarover men niet spreekt.

Ida Gerhardt