Column week 43-2018.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven.jpg Dhr Michel Graef.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Michel, Onderstaand gedicht maakte ik voor de Nederlandse poëtische plattegrond van De Taalstaat (Radio 1).

Eindstraat

Mijn leven is begonnen aan het Eind;
In Horn, ingeklemd tussen dorp en veld.
Het eerste levenslicht kleurde sneeuw
en serpentines in winters Vastelaovesgeweld.
Een statig pand met erker, een mooie tuin;
En -verrassend helder-
sinds barre oorlogstijden
een Madonna in de kolenkelder.

De straat als levendige selfsupport-samenleving:
de smid die wagens repareerde en paarden besloeg,
de bakker, groenteboer en slager.
’t Was niet veel, maar ’t was genoeg.
Postkantoor en fietsenmaker, kolenboer;
de eiermijn in volle glorie.
Een schoenlapper, transportbedrijf en kapper;
waar blééf die tijd, verdorie?

Ik herinner me de kermis op het plein,
schommels, een draaiorgel, snoep dat ik begeerde.
De mijnwerkers, hun plunjezak,
het kerkepad, de bus die er dagelijks keerde.
’n Mariakapelletje, toevluchtsoord en rustplek
staat in mijn herinnering verfijnd
sinds jaar en dag
helemaal aan het eind van het Eind.

We woonden midden in dat Eind met ons gezin
Aan het begin van mijn begin.
Ik was jong, mijn jeugd was zonder zorgen,
Er was geen ginds, er was slechts hier.
Er was vandáág; er was geen morgen.
Op de Eindstraat toen, daar aan de Lier.

Die Eindstraat, die smalle straat,
met in het midden een plein.
Ze is er altijd geweest,
ze zal er altijd zijn.
Ooit, lang geleden, is mijn leven dáár begonnen
Op nr. 11, tijdens het besneeuwde eerste Carnaval.
Aan het Eind, de Eindstraat; die mooie plek,
die dat wás en die dat voor mij blijven zal.

Arno Walraven

Zoals je wellicht weet is mijn broer Jan bezig om de geschiedenis van de Eindstraat te  beschrijven. Vooruitlopend hierop een beetje tekst en uitleg.

Ik ben geboren op “’t Inj”, de Eindstraat, am Rosenmontag. Voor het eerst had Horn een Vastelaovesprins. Mijn vader had het postkantoor, mijn oom de bakkerij, slager Kouters. Ons huis had twee kelders. De kolenkelder werd in de oorlog gebruikt als schuilkelder. De ondergedoken Herman van Elteren tekende op de keldermuur een Madonna. Op enig moment is die tekening bij het witten verdwenen. In de Eindstraat, het economische hart van het dorp, woonden veel middenstanders. Tegenover ons, naast Diêke Lies, lag de Eiermijn van Beulen-Tinus. Die beschikte over paranormale gaven. Ik herinner me dat mijn moeder kokend water over zich heen kreeg. Beulen Tinus bad de pijn weg; er restte zelfs geen litteken. Een tovenaar! De Lier (Limburgs: Léér) is de sloot die achter het Mariakapelletje loopt. De kermis stond voor onze deur op het pleintje. De bus van de Nedam hield er stil en keerde er. Het was ook de opstapplek voor de mijnwerkers die naar de mijnen in Zuid-Limburg gingen. Achter de diepe tuinen langs liep het kerkepad dat aansloot op het nog bestaande Kerkpad. Ik ben altijd trots op deze straat geweest onder het devies “Eind goed, al goed”. Waar je vandaan komt, is belangrijk. Zonder wortels is een boom immers niet meer dan een stuk hout.

Arno Walraven, 21 oktober 2018 

Foto column Eindstraat.JPG