Column week 40-2021.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Toetje

Staatssecretaris Keizer trakteerde op een Mona-toetje. Een keizerbitter in de herfst van Rutte-III, waarin de bewindslieden met de bosjes vallen. Op 17 maart ging Nederland naar de stembus, 200 dagen geleden. Nog steeds is er geen nieuwe regering. Een minderheidskabinet viel af, terwijl dat heel effectief kan zijn. Ik kan het weten. Ik heb ooit in zo’n gelegenheidscoalitie gewerkt en –eerlijk is eerlijk- met uiteenlopende meerderheden kregen we veel voor mekaar. Wisselende contacten onderhouden kan dus zeker positief zijn. Wie het in Limburg kan, kan het in Den Haag ook. Dus haalde gouverneur Remkes een oude politieke wijsheid van stal. “Ze dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was.” Kortom, geen verandering en geen nieuwe bestuurscultuur. Ik heb wat vergaderd in mijn leven. Vaak tot vervelens toe. Over belangrijke zaken, maar ook om niks. Oeverloos in herhaling vallen, oneliners, gemeenplaatsen. Polderen. In de natuur daarentegen gaat het heel wat efficiënter. Kijk eens naar de dans van de spreeuwen en naar de zwaluwen die zich opmaken voor de grote trek. Je ziet de hectiek met de dag toenemen. Vergaderingen op elektriciteitsdraden en in bomen. Lang hoeft niet gezwetst te worden. Er is een gezamenlijk belang. Ze zijn het snel eens over de strategie en dan zijn ze eruit. Aan alles is de herfst te bespeuren. Een mooie periode, maar ook het bewustzijn van naderend afscheid. Inleveren, opruimen, aftakelen. Ik las een prachtig herfstgedicht van oud-docent Nederlands op het Bisschoppelijk College, de dichter Paul C.M. van der Goor (1932-1983):

Nog ruke de blome dich taege
wiewaal de daag al meug zeen en gries;
vlech dich eine krans in dien haore
van asters en erepries.

De windj bleus de dräöj van de zomer
al veur zich oet door de lóch
en d’n aom van ’t kómmendj naojaor
haet de bleujende roze bezóch.

Vijftig jaar geleden overleed mijn oom Emmanuel (“God met ons”) Walraven, Wél van de bekker. Aome Wel. Zijn leven lang woonde hij op ’t Inj. Hij was bakker, hield wat kleinvee. Was vrijgezel. Door de week hard werken en op zondag een potje bier. Een tevreden man aan wiens leven abrupt een einde kwam. Hij was nog geen zestig, maar wij vonden hem oud. Vijftig jaar geleden was ik een vlotte jongen, fan van Paul Anka. Met mijn meisje op de brommer, allebei zonder helm. Dat vonden we stoer. De herinnering is mogelijk nog beter dan het moment zelf. Ik zat op de hbs en leerde bij KSV van mijn trainer Ben Ramakers hoe je een penalty moest nemen. Tegenwoordig ontmoet ik hem aan de bridgetafel. De tijd vliegt. “Niets sneller dan de tijd die onherhaaldelijk slijt en zachtjes hene glijdt”, zei Jan Huijgen. Hier encore, zingt Aznavour, gister nog. Yesterday when I was young.  Ik realiseer me dat ook mijn herfst is aangebroken. Gelukkig heeft die levensfase veel moois in petto. En van dát lekker toetje geniet ik dagelijks. Met volle teugen.

Arno Walraven, 3 oktober 2021