Column week 32-2020.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Olympisch Goud

Michel, In 1964 was Anton Geesink mijn grote held op de Olympische Spelen van Tokyo. De “killer in kimono” versloeg de schier onverslaanbaar geachte Japanners in eigen huis en dwong daarmee tot over zijn dood groot respect af in het land van de rijzende zon. Hij was de eerste judokampioen die niet uit Japan kwam. Uiteraard sloot zijn woonplaats Utrecht de judoka in het hart. Hij woonde sedertdien in de Anton Geesinkstraat. Draaiorgels spelen de Anton Geesinkmars. Japan ging in zijn verering voor de boomlange sportreus verder. Vertel een Japanner dat je uit Nederland komt en hij zegt: Anton Geesink. Het verkeer stopte voor hem als hij de straat wilde oversteken. Net als alle jongens wilde ikop judo. In Horn kon dat niet. Wel in Roermond, maar ik mocht niet van mij ouders. Judo werd thuis te zeer geassocieerd met vechten. Op de Spelen van 2012 in Londen veroverde Epke Zonderland goud op de rekstok. Mijn mooiste Olympische herinnering. Op die zinderend hete zomermiddag deed The Flying Dutchman uit Lemmer alles goed. Nooit eerder zag ik zo’n spannende wedstrijd, terwijl turnen niet eens mijn sport is. Ik zat op het puntje van de stoel de prestatie te bewonderen. Met de Cassina-Kovacs-Kolmansprong was Epke de eerste die ooit een drievoudig vluchtelement uitvoerde. Commentator Hans van Zetten ging bij de afsprong volledig uit zijn dak. “Hij stáát!!” schreeuwde hij de huiskamers in. Inderdaad, Epke stond. Uitzonderlijk. Legendarisch. Mijn vriendinnetje Thea turnde ook. Gelukkig niet zo fanatiek dat er geen tijd meer overbleef om plezier te maken, uitgaan, dansen en zwemmen. Wat een tegenstelling tot nu als je leest hoe jonge turnstertjes worden vernederd en mishandeld om te presteren. Gedrild. Ontoelaatbaar en afkeurenswaardig gedrag. Ook bij tennis of voetbal zie je wel eens ouders die het onmogelijke van hun kinderen vragen. In slechts weinigen schuilt echter een tweede Johan Cruijff. Het is vanzelfsprekend dat sportmensen leven voor hun sport en dat ze zich bepaalde dingen moeten ontzeggen. Soms gaat dit echter veel te ver. Wat is het dan mooi om te zien hoe heer bij onze eigen Hornse turnclub aan toegaatZeker wordt er hard getraind, maar niet tot op het randje, laat staan erover. Plezier gaat boven presteren. Daar heb ik vele, vele malen meer respect voor. Trainsters als Irene, Nienke en Lindy -om maar een paar toppers te noemen- laten de meisje lol hebbenin hun sport en zetten geen fatsoensnormen opzij voor prestatiesHet moet leuk blijven en pretoogjes opleveren, geen uitgemergelde lichaampjes en bleke, lange, afgetrokken gezichtjes. n wordt de visom met Kniertje uit Op hoop van zegen te spreken, wel erg duur betaald. Voor elke sport geldt dat samen gezond bezig zijn fitte en sociale mensen kweektDat zou voor mij goud waard zijn. Daar heb je namelijk meer aan dan aan kampioenen die voor het leven getekend zijn. 

Arno Walraven, 2 augustus 2020