Column week 24-2020

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Zingen

Michel, Ik had een wiskundedocent die met consumptie sprak. Irritant als je vooraan zit. En ik “mocht” nogal eens vooraan zitten. Tegenwoordig zou dat zonder mondkapje een regelrechte aanslag op je leven zijn. Het verschrikkelijke virus verspreidt zich immers voornamelijk via speeksel, tuf. En daar had die man genoeg van. Soms een complete regendouche van waaronder ons de parallellogrammen, gelijkbenige driehoeken en merkwaardige producten werden uitgelegd. Risico op besmetting is dan ook de reden waarom er niet gezongen mag worden. Terwijl daar beetje bij beetje weer aanleiding voor is, want het virus lijkt enigszins onder controle. We kunnen op vakantie, de terrassen zijn geopend en de meeste mensen houden zich aan de afspraken. Ook mogen we weer naar de kerk waar stille missen gelezen worden. Zonder te zingen gaan maximaal 30 gelovigen de kerk uit. Zingen is een vrolijke bezigheid. Mijn vader zong thuis de sterren van de hemel. Uit volle borst. “Ja, ja, ja,Janus, Janus, pak me nog een keer (als je ’t nou niet doet dan kan je ’t niet meer)”. Wo man singt, lass dich ruhig nieder; böse Menschen haben keine Lieder. Koffie, koffie, lekker bakkie koffie, galderde hij. Als in zijn tijd hofzengers hadden bestaan, was hij erbij geweest. Wat kan ik toch genieten van een zangkoor met hoge tenoren, de ene nog hoger dan de andere. Mooie deuntjes duren echter nooit lang; aan het eind van het lied lieten de hofzengers een lp (“Wanjele door Häor”) en een cd (“Esse lachs”) na. Toen ik op de lagere school in Heel onderwijzer werd, was zingen mijn favoriete vak. We zongen dagelijks moderne, maar ook traditionele liedjes. De machtigste koning…., Toen de Hertog Jan kwam varen, De torenspits van Bi-ba-bommel en de nodige canons zoals het mij door meester Thoonen geleerde Toemba toemba, tralala tralala. Een evergreen. Het nachtegaaltje zingt in deze moeilijke tijd nog maar sporadisch in het bronsgroen eikenhout. En áls het zingt, is het in mineur. Van té veel mensen hebben we afscheid genomen. Pas nog van pastoor Verhaag, herder van het zwaar getroffen Kesselse volk, die een hausse aan begrafenissen moest leiden. Hem wel toevertrouwd; mijn beide schoonouders deed hij uitgeleide. Met veel empathie. Helaas voor hem geen gezongen requiem. Toch zullen de engelen hem begeleiden ten paradijze. En dat doen ze dorpsgenoot Maarten Smeets, tuinman van ons kerkhof, ongetwijfeld ook. Zijn onverwacht verscheiden deed me denken aan het gedicht “De tuinman en de dood” van Van Eijck. Curves, pieken, een eventuele tweede coronagolf. Wie kan weten hoe zaken zich ontwikkelen? Hopelijk blijft de toon die de samenleving recent heeft aangeslagen doorklinken, die positieve en sympathieke galm; blijft de betrokkenheid, de aandacht voor hulpbehoevenden en krijgen getroffen ondernemers medewerking van de instanties, ook financieel. Uiteindelijk kan de overheid  de centen beter daaraan besteden dan aan een stel dikke trommen. Vind ik. Dat maakt de samenleving beter. Prijs de dag echter niet voor het avond is. Vogeltjes die te vroeg zingen, zijn immers voor de poes.

Arno Walraven, 7 juni 2020