Column week 21-2020.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Mei

Michel, Mei is de maand waarin moeders geëerd worden en doden herdacht. Mijn vriend Peter zou deze maand jarig zijn geweest. Ik ben gaan feliciteren. Het is ook de maand van communiefeesten, dit jaar gelukkig weer met onze schutterij erbij. Nog zonder hun beschermheer. Die waaide uit aan de Zeeuwse kust. Agnes en ik namen een voorschot op onze huwelijksdag. We trouwden twee keer. Op dezelfde dag in mei. Eerst in Kessel voor de wet, daarna in Horn voor de kerk. Foto’s maken in de Gaard en feest in Hornerhof. Een mooie bruid, in het wit; de bruidegom in een zwart kostuum. ’s Ochtends naar ’t kepperke, die voor de gelegenheid een speciaal huwelijkstarief berekende. Willem Smeets zaliger zou mij later toevertrouwen dat ik er nog nooit zo mooi had opgestaan. En die kon het weten. Inmiddels heel wat jaren geleden. De tijd staat niet stil. Jeroen Brouwers moest 30 jaar wachten op de ultieme erkenning. Hij won deze maand de Libris Literatuurprijs. Ik kan me moeilijk voorstellen dat zijn winnende boek mooier is dan het eveneens genomineerde “De onbevlekte” van Erwin Mortier (Glans is de sprankel hoop die we nodig hebben), maar een jury-oordeel is vaak ondoorgrondelijk. Ik ga het zeker lezen, al is het maar omdat ik zijn “Bezonken rood” uit 1981 zo’n indrukwekkend eerbetoon aan zijn moeder vind. “Zoek mij terwijl ik er ben. Leer mij kennen, omdat ik er ben. Ik ben er immers. En toch is zeker dat ik er niet ben.” In de tijd van de Tachtigers bestond er geen literatuurprijs. In 1889 schreef Herman Gorter zijn verhalend gedicht Mei, een allegorie van het voorjaar. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Een klassieker. Het heeft lang geduurd voordat ik het mooi vond. Nu ervaar ik het als verrijking. Ik lees het ieder jaar, net zoals ik voor kerst De avonden lees. Mei is de Mariamaand. Ik hoor onze vroegere buurvrouw Truus Rijckx weer zingen “O, reinste der schepselen, O, moeder en maagd; O, Sterre der Zee”. Onlangs klonk het lied tijdens de uitvaart van Jacqueline. Jacqueline was een zorgzame en vriendelijke vrouw, ein leef maedje en fijne mam. Trots op haar gezin. Bescheiden en dienstbaar. Als ik mijn ogen sluit, zie ik haar wandelen met Jac en Lieke. En het hondje. Ze was actief in onze dorpsgemeenschap in de parochie bij communievoorbereiding, kindernevendiensten en bij alle voorkomende werkzaamheden. Niet op de voorgrond, maar wel belangrijk. Op 10 mei, haar huwelijksdag, overleed ze. Pas 56 jaar. Een gelovige en moedige vrouw die gemist zal worden. Hald mich ins vast. Geluk blijkt fragiel en kwetsbaar. Dat besef ik op zulke momenten. Ik denk wel eens dat ik dubbel geleefd heb, maar ik weet dat er ook nog veel in te halen is. Voor Jacqueline zijn de dichtregels uit Goede dood van P.C. Boutens (1870-1943):

Alle schoon dat de aard kan geven
blijkt een pad dat tot u voert.
En alleen is leven leven
als het tot de dood ontroert.

Arno Walraven, 23 mei 2021