Column week 18-2020.

Politiek-kenners Arno Walraven en Michel Graef zullen hier bij toerbeurt, elke zondag, een column in de vorm van een briefwisseling schrijven met betrekking tot ‘van alles’ wat zich in Horn afspeelt. Ik laat de artistieke vrijheid geheel aan hen over en heb zelf geen invloed op hetgeen zij schrijven. Ik wens u veel plezier met het lezen van hun gedachtewisseling!

  Arno Walraven 1.JPG Michel Graef 1.jpg  
  Arno Walraven Michel Graef  

Hartendief

Michel, Misschien heb je Agnes op de radio gehoord toen ze in het programma De Taalstaat haar vergeetwoord toelichtte. Vergeetwoorden zijn woorden die de moeite waard zijn om te bewaren én gebruiken, maar bijna vergeten zijn. Niemand minder dan Nelleke Noordervliet en Frits Spits bepalen of je in aanmerking komt voor een adoptiebewijs. Zowel Agnes als ik hebben zo’n certificaat. Agnes adopteerde hartendief, een vriendelijk woord voor iemand die je hart gestolen heeft. Haar radiodebuut was zoals ze is: kort en krachtig. Da’s bij mij wel anders. De uitdrukking “Bescheidenheit ist eine Zier, doch weiter kommt man ohne ihr” is op mij meer van toepassing. Mijn vergeetwoord is abusievelijk. De oplettende lezer heeft het nu en dan in mijn columns zien voorbijkomen. Het betekent per abuis, per vergissing. Welbeschouwd is het dus best een menselijk woord. Vergissen is immers menselijk. Toch moet je het niet te vaak hoeven gebruiken. Dat zou inhouden dat je veel fouten maakt en dan  word je voor een pezewever aangezien. Dan kun je beter het woord hartendief hebben. Hoe vaker je dat gebruikt, hoe beter het is. Er zijn best wel veel woorden die mooi zijn, maar helaas bijna vergeten. Kijk eens naar warempel. Het betekent zowaar, waarachtig, heus. Loof en ooft dreigen ook in vergetelheid te raken. En iemand in het ootje nemen gebeurt nog maar sporadisch. Struweel is een juweel van een woord en onverhoeds heeft prachtige synoniemen als pardoes, schielijk en subiet. Vergeetwoorden adopteren zorgt ervoor dat de bloemrijke woordenschat van onze taal behouden blijft. Deze lettervrucht poogt daartoe een bijdrage te leveren. Als je opschept ben je aan het fanfarroneren, als je vrouw de broek aan heeft leef je in een pantoffelregiment en ben je mak in alle tuig. Een voddemoêr is een slons, maar een mokkeltje een lekkere meid; een saffie een sigaret en ijlebenen betekent snel lopen. Eertijds, toen we nog konden schaverdijnen op de Kouk, gingen olijke, kloeke dreumesen en benderende hummeltjes naar de bewaarschool. Wie naar een geitenfuif gaat bezoekt een vrouwluujzitting; óf ’t aod-wiêverbal. Een Suzannaboef is een ouwe snoeper. Een nors persoon is in het Vlaams een zuurmuil en wie vervelend doet gedraagt zich ambetant. Mijn moeder sprak van een ouwe kadee als ze een heer op leeftijd bedoelde en van een “Dame du ton” als het om een chique, modieuze vrouw ging. Een van de leukste woorden is koddig en mijn overleden overbuurvrouw gebruikte vaak mieters. In een oogwenk klinkt veel minder banaal dan in een wip. Kijk, als je dit soort woorden bezigt, blijft de taal tierig en lopen de zinnen als een tiet (excusez le môt). En dat is je-van-het. Dat zul je vast kunnen affirmeren. Da’s nogal klontjes. Heb jij ook een hartendief? Behalve Agnes heb ik Anita, mijn secretaresse. Ik ben dus een goudvink.

Net als onze dorpsgenoten Leo Beulen, Henny Gereadts, Har Brouns en Wiel Vermeulen. Het behaagde de koning hen te trakteren op een koninklijke versnapering. Proficiat! Komt eindelijk de harmonie bij ons op straat.

Arno Walraven, 26 april 2020